Nieuws / 17 maart '20 / ROOD Rotterdam

Democratie en het Socialisme

Voor de dominantie van het Stalinisme (en daarna), was de strijd voor democratie voor ons als socialisten één van de belangrijkste. Al vanaf het begin van de democratische revoluties van de 19de eeuw stonden wij voorop in de strijd voor eisen als universeel stemrecht en vrijheid op organisatie en meningsuiting.

Deze strijd voor democratie is onlosmakelijk verbonden met onze einddoelen. Als wij socialisme zien als de emancipatie van de arbeidersklasse, door de arbeidersklasse zelf, dan moet die klasse ook alle middelen tot zijn beschikking hebben voor politieke organisatie en controle. Het opbouwen van een grote, democratische arbeidersbeweging is dan ook moeilijker wanneer men niet alle democratische vrijheden en verworvenheden gegarandeerd heeft. De overwinning van het socialisme kan immers geen truc zijn van een kleine, verlichte minderheid, maar alleen een doelbewuste actie van de werkende bevolking. Als die werkende bevolking geen controle over de staat en zijn eigen organisaties heeft, dan vormt dat een barrière tot het realiseren van het socialisme.

Hoe staat het er op dit moment voor met deze democratische verworvenheden in het Westen? In tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn er nog steeds serieuze democratische tekorten in ons staatsbestel.

Een staat als de onze opereert onder het kapitalisme. Dat betekent dat ons parlement zijn wetgeving en beleid moet toetsen aan de winstgevendheid van het kapitaal. Is een bepaalde maatregel of initiatief te bedreigend voor de winstgevendheid van kapitalisten? Dan verdwijnen ze gewoon naar een ander land, of zorgen ze via hun lobby ervoor dat het de maatregel alsnog tegengehouden wordt.

Deze beperkingen die het kapitalisme oplegt aan onze democratie worden ook nog eens wettelijk ingekaderd, in Europese verdragen en verplichtingen vanuit internationale instituten als het WTO en het IMF. Zo is het bijvoorbeeld onder Europese richtlijnen verboden om bepaalde vormen van staatsinterventie in de economie te doen, zoals het beperken van speculatie op de huizenmarkt.

Naast het kapitalisme zijn er ook nog veel andere beperkingen op onze democratie. Het parlement, ons enige democratisch verkozen orgaan, wordt structureel in zijn machtspositie ondermijnd door andere groepen en instituten. Zo zagen wij bij de recente schandalen rondom de oorlog in Iraq en de toeslagaffaire dat ambtenaren en ministers buiten het parlement om allemaal beleid kunnen doorzetten en stilhouden. Enige parlementaire toetsing of inzicht is hierbij verloren.

Andere ondemocratische relieken in ons staatsbestel zijn instituten als de monarchie en het staande leger. De monarch heeft nog steeds adviesrecht en een sterk staatsrechtelijk aanzien, wat niet alleen bijzonder onrechtvaardig is maar ook een bedreiging kan vormen voor een eventuele socialistische regering. In Engeland, ten tijde van de Labour regering van de jaren 70, gingen er al stemmen op rond de monarchie om samen met het leger een einde te maken aan de verkozen Labour regering. Deze zelfde giftige combinatie van leger en antisocialistische strijd zien we ook terug in hedendaags Bolivia, waar de democratische socialist Morales in een coup is afgezet. Hieruit blijkt dat wanneer de gewapende middelen van de overheid niet democratisch georganiseerd zijn, ze een macht op zichzelf kunnen gaan vormen die over kan gaan op politieke actie wanneer het ze niet meer zint.

Naast al deze instituten zijn er nog zat andere democratische tekorten te benoemen. Een onverkozen Eerste Kamer die beleid mag toetsen, een rechterlijke macht met veel ruimte voor eigen interpretatie van internationale wetgeving, beperkingen op het houden van referenda en maar eens om de 4 jaar verkiezingen.

Voor ons als socialistische beweging zijn er dus nog veel stappen te zetten voordat we uitkomen bij een daadwerkelijk democratisch staatsbestel. De strijd voor democratie in Nederland en Europa is nog lang niet gewonnen en cruciaal als we een sterke arbeidersbeweging willen opbouwen.