Blog / 23 september '20 / Landelijk

Arno van der Veen

Coalities smeden op straat, niet het Binnenhof

Het verkiezingsjaar 2021 staat voor de deur, de campagnes lijken al flink begonnen. De start van een historisch jaar met misschien wel de belangrijkste nationale verkiezingen van de afgelopen decennia. Met de Coronacrisis lijkt een gigantische economische crisis voor de deur te staan, wat door de geschiedenis heen voor grote verschuivingen van verdeling van geld en middelen zorgde. De vraag van het aankomend jaar wordt dan ook: hoe ziet een nieuwe verdeling er uit? Draait de samenleving op voor de risico’s van grote bedrijven en haar eigenaren, of stellen we eindelijk vraagtekens bij waarom die bedrijven in handen van slechts een enkeling zijn? Wat mij betreft dat laatste, waar we aankomend jaar zo veel als mogelijk mensen voor op de straat krijgen. Coalities bouwen op straat, niet met de staat. Dat is waar het in 2021 om gaat.

Als de Coronacrisis iets laat zien, is het wat van waarde is. In onze vitale sectoren werd er doorgewerkt, maar het meeste ging zeker tijdelijk dicht. De vraag die opkomt is wie de rekening betaalt, bijvoorbeeld bij een bedrijf als KLM. Aandeelhouders trokken de stekker uit het bedrijf, een faillissement dreigde. Tegelijk werd het bedrijf van levensbelang geacht voor de Nederlandse samenleving, waardoor het werd gered met miljarden aan publiek geld. Een reflex die we eerder zagen bij de bankencrisis van 2008 en erg typisch is voor het huidige neoliberalisme. Niet langer een vrije markt waarin grote bedrijven zomaar kunnen omvallen, maar een vrije markt met een gigantisch vangnet vanuit de overheid. Neoliberale partijen als de VVD zijn ook tot het inzicht gekomen dat plotselinge faillissementen van grote bedrijven kan leiden tot ontwrichting van de samenleving, zeker wanneer het om bedrijven gaat die een noodzakelijke functie vervullen. Andere politieke partijen gaan vaak moeiteloos mee in het redden van grote bedrijven. Daarbij kijkt men niet enkel naar het product of de dienst die het levert, maar ook de werkgelegenheid die er bij gepaard gaat. Als samenleving zijn we afhankelijk geworden van deze private bedrijven, wat zeker in tijden van crisis voor een grote druk zorgt om hen te helpen. De eerste maanden van de Coronacrisis zagen we naast KLM legio aan voorbeelden waarbij we vele miljarden aan publiek geld in private ondernemingen staken. Feitelijk dekten wij daarmee samen het risico van verschillende aandeelhouders, maar ondertussen kregen wij – of de werknemers – hier geen zeggenschap voor terug. De mazen van het vangnet van de overheid blijken zo groot dat het bedrijven opvangt, maar de werknemers ertussen vallen. De steunpakketten vergroten daarmee de ongelijkheid nog verder.

Het geld dat we gezamenlijk steken in bedrijven om hen te redden moet ergens vandaan komen, dus zijn partijen als de VVD en het CDA ons alweer aan het warm maken voor een volgende bezuinigingsronde op onze publieke sector. Uitgerekend de zorg, waarvoor heel Nederland een tijd geleden nog stond te klappen, lijkt verder te worden uitgekleed. ‘We moeten bezuinigen, om de rekening niet door te schuiven naar de volgende generatie.’, is een veelgehoorde uitspraak en doet weer denken aan de crisis van 2008. Het ongemakkelijke is dat we tussen 2008 en 2020 periodes van grote economische groei hebben gehad, maar de mensen die de vorige crisis betaalden hier nooit wat van hebben teruggezien. De winst die werd geboekt belandde in de zakken van aandeelhouders: mensen die in deze crisis weer flink geld verdienen aan investeringen in mondkapjes, internetbedrijven of supermarkten. Waar neoliberalen langzaam beginnen te geloven dat bedrijven of hele sectoren ‘too big to fail’ zijn, is het niet de tijd om dat te beamen. Het is de tijd om de vraag te stellen wat deze bedrijven dan überhaupt in private handen doen. Die vraag stellen is nog een brug te ver voor alle andere partijen in de Tweede Kamer. Zij geloven nog in de fantasie dat het geld dat je in de diepste zakken der aarde pompt, langzaam maar gestaag naar de minderbedeelden vloeit. Zij staan dus altijd eerder in voor het belang van de aandeelhouders dan dat van de mensen die er werken. Daarmee lijkt de samenleving net als in 2008 de kosten van de crisis te moeten dragen.

‘Lijkt’, tenzij genoeg mensen opstaan. Want onder druk wordt alles vloeibaar, dat blijkt wel weer in deze crisis waar de miljarden er voor de grote bedrijven ineens wel zijn. Opstaan tegen de politieke reflex om in tijden van crisis de ongelijkheid te vergroten. Als socialisten maken wij het verschil waar wij dat kunnen, zowel in het parlement als op straat. Na de aankomende verkiezingen zal met de huidige verhoudingen elke regering worden gedwongen om keiharde bezuinigingen door te voeren, door zowel kapitalistische partijen binnen het parlement als het grote geld daarbuiten. Daarom is het nu van belang om als socialisten coalities te smeden. Niet met de staat en (neo)liberale partijen, maar juist op straat om die verhoudingen om te draaien. Coalities met sociale bewegingen en de mensen daarbinnen voor een gezamenlijk belang. Zodat wij met genoeg mensen en een gezonde portie zelfvertrouwen de geveinsde afhankelijkheid van bedrijven kunnen doorbreken. De werkers maken immers de winsten, niet de aandeelhouders. Een minimumloon van 14 euro vanaf 18 jaar, schuldenvrij studeren, betaalbare huren, het voorkomen van de klimaatcatastrofe en een wereld vrij van oorlog en onderdrukking is nu nog ver weg. Het gaat tegen het belang van de enkeling in met geld. Maar och, wat is het mooi om samen op te staan, te dromen van en bouwen aan een andere wereld.