09-01-2004 Van 3 tot en met 10 januari 2004 bezocht een vierkoppige SP-delegatie, waaronder Tweede-Kamerlid Harry van Bommel, senator Anja Meulenbelt en ROOD-voorzitter Driek van Vugt, Israël en de Bezette Gebieden. Doel van de reis was het onderzoeken van de levensvatbaarheid van het vredesproces zoals dat in de Routekaart naar Vrede is vastgelegd, en de diverse alternatieven, zoals het Geneefs Akkoord, die de laatste weken zijn gepresenteerd.
SP-Kamerlid Harry van Bommel deed in een dagboek op de SP-site verslag van de gebeurtenissen. Op deze pagina beschreef ROOD-voorzitter Driek van Vugt zijn ervaringen tijdens het werkbezoek.
Zaterdag komen we aan op vliegveld Ben Goerion. Behalve dat we wat langer in de rij moeten staan voor de paspoortcontroles merken we nog weinig van de gespannen situatie. Eenmaal buiten schrik ik wel als ik een jongen in vrijetijdskleding een geweer vast zie houden: geen goed speelgoedgeweer (wat als eerste in me opkwam), maar een flink machinegeweer.

In de oude stad
We checken in bij ons hotel en eten bij een tentje waar naast progressieve mensen uit het buitenland ook progressieve joden komen. Na de maaltijd aan de shisha, de lokale waterpijp: heerlijke appelsmaak heeft die tabak!
Vandaag is de eerste dag van de conferentie die we bezoeken: de hele dag lang luisteren naar en spreken met mensen die de meest uiteenlopende achtergronden hebben en de meest interessante verhalen hebben en analyses maken over de bizarste situatie in de internationale politiek: het joods-palestijnse conflict.
Omdat ik het nog veel te vroeg vind om politiek stelling te nemen dan wel zwaarwichtige politieke analyses te maken, zal ik wat citaten weergeven die ik vandaag heb opgeschreven. Luisteren, schrijven en foto's maken - dat is al indrukwekkend genoeg
Uitspraken die niet alleen gedaan werden door Palestijnen: de conferentie werd bezocht door mensen van divers pluimage, zowel Israëliers als Palestijnen. Academici, activisten, mensen van de PLO, oud-ministers, een oud-adviseur van Barak; zelfs de onderhandelaars van het zeer recente Initiatief van Geneve waren present.

Na een vermoeiende dag wordt 's avonds nog hard doorgewerkt
Een dag waarin ik ontzettend veel geleerd heb. Een aangename dag. Het was dan ook, voor onze begrippen, zacht lenteweer. Zonder jas de straat op begin januari... Morgen bezoeken we overdag weer de conferentie. 's Avonds gaan we naar bekenden van Anja Meulenbelt in een ander gedeelte van Jeruzalem te gaan om te spreken met een aantal Palestijnse studenten in Jeruzalem. Opnieuw een vermoeiende dag - het is tijd om maar eens naar bed te gaan.
Maandagavond heb ik in Jeruzalem een gesprek met drie Palestijnse jongeren. De setting is uitstekend: een Arabische ontmoetingsplaats. Toch duurt het nog even voordat het ijs gebroken is. De Palestijnse jongeren voelen zich niet op hun gemak omdat ze overduidelijk overdonderd zijn. Ze maken het nooit mee dat, in hun ogen, belangrijke westerlingen hen, gewone Palestijnen, naar hun levenservaringen en opvattingen vragen. En ik, omdat ik me klein en nietig voel tussen jonge mensen van een volk dat zoveel te lijden heeft. En omdat ik het idee heb dat ik zulke domme vragen stel.
Omar Halawani, Luma Khaezma en Suma Khaerzma maken desondanks een verpletterende indruk op me. Niet eens zozeer om de woorden die ze spreken, maar de ontluisterende bescheidenheid en hartelijkheid waarmee ze die uitspreken. De bezetting van hun land door Israel komt, hoe kan het ook anders, wordt besproken. Omar, een verlegen jongen van 14, vertelt hoe hij een paar jaar geleden binnen 10 minuten op school was vanuit huis. Sinds de Israeli’s het nodig vonden een checkpoint te plaatsen op zijn route, een van de vele in Israel, doet hij er een uur en een kwartier over. Alleen maar vanwege die enorme rij mensen die daar elke dag doorheen moet en stuk voor stuk door de soldaten van het bezettingsleger worden onderzocht.

Driek te gast bij drie Palestijnse jongeren
De 16-jarige Luma Khaezma, een Palestijnse met een christelijke achtergrond getuige het kruisje dat ze draagt, is in de Verenigde Staten geweest voor een drie weken durend programma waar Arabieren en joden uit het Midden-Oosten (uit acht verschillende landen) bij elkaar kwamen om gewoon eens grondig de dialoog aan te gaan. ’In het begin hadden we behoorlijke gevechten en conflicten, verbaal wel te verstaan, maar toen we weggingen voelde het alsof we heel erg dicht bij elkaar stonden’. Luma wil later graag voor Al-Jazeera gaan werken, het lijkt mij bepaald geen toeval dat het beroep van journalist hier zo hoog in aanzien staat en dat zoveel jongeren ervan dromen. ’Please, get the truth, and spread it’, zei Mustafa Barghouti gisteren op de conferentie.
Suma, een studente politieke wetenschappen en journalistiek, vertelt over de verkiezingen op de Bir Zeit University voor de universiteitsraad waar Fatah een verkiezingsnederlaag kreeg te verwerken ten gunste van de readicale Hamas. ‘Het Israëlisch beleid van kolonisatie en de manier waarop ze de mensen vernederen, bijvoorbeeld door het bouwen van de apartheidsmuur (waardoor de Palestijnen nog eens van een groot deel van hun huidige grondgebied worden beroofd - DvV), maakt de jonge Palestijnen duidelijk radicaler. En dat maakt de hoop op vrede alleen nog maar kleiner’.
Volgens Omar is het duidelijk: ‘De bezetting moet eindigen en we hebben het recht om de Israëliers te bevechten. Maar soldaten en het leger moeten het doel zijn, niet de Israëlische burgers.’. Suma vertelt over de verdeel-en-heers politiek die gevoerd wordt door de Palestijnen te verdelen in groepen met verschillende identiteitsbewijzen (blauw voor Jeruzalem. Oranje voor de Westoever en groen voor de Gazastrook) met bijbehorende verschillende rechtsposities.
Palestijnen die in Jeruzalem wonen kunnen echt niet even een reisje maken naar familie in de Gazastrook, ze komen er simpelweg niet in. ‘Het is makkelijker om naar Mars te gaan dan om de Gaza-strook binnen te gaan.’ Dat blijkt ook uit onze ervaringen: onze delegatie gaat morgen naar Gaza en ook ik moest van te voren naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een diplomatiek stempel halen waardoor ik er überhaupt kan komen.
De jongeren zijn pessimistisch en teleurgesteld. ’How can the world see what is happening and doing nothing? There isn’t any humanity in international politics’.
Wanneer we vragen naar hun hobby’s, dromen en vriendjes en vriendinnetjes neemt het gesprek een wat luchtiger wending. Dat is zeer welkom na al die in- en intrieste verhalen en ervaringen.
Luma houdt erg van dansen en vertelt over haar bewondering voor Al-Jazeera. ‘Als er iets gebeurt in het Midden-Oosten krijgt ook de Israëlische premier Sharon zijn informatie door te kijken naar Al-Jazeera.’ Suma houdt van tekenen en van fotograferen. Maar, zegt ze er stellig bij, zonder dat de essentiele behoefte van ieder mens aan vrijheid is ingevuld, worden we er niet gelukkig van. Het helpt ons eerder even aan de dagelijkse ellende te ontsnappen. Suma wil graag in London gaan afstuderen.
Omar vertelt, nadat hij de aanvankelijke verlegenheid heeft afgeworpen, apetrots dat hij in de zomer naar Los Angeles gaat. Arme jongen, denk ik. Hij mag gaan proeven van de zo veelgeprezen vrijheid van een land wat er in hoge mate medeverantwoordelijk voor is dat hij dat zelf in zijn eigen land nauwelijks heeft. Nadat hij me wat Arabische woordjes leert (nee, geen scheldwoorden) en vraagt ’Mister, do you like to drink beer?’, heeft deze jongeman mijn hart veroverd. Laat hem in vredesnaam behouden blijven.
Om half acht sta ik op en bereid me voor op een belangrijke dag. Vandaag gaan we naar de Gazastrook. Het meest geisoleerde en verarmde gedeelte van de Palestijnse gebieden.
We arriveren om een uur of elf bij Erez, de grenspost van de Israeli's voor al het verkeer naar Gaza. Door de vele hekken, soldaten en kale kantoorgebouwen doet het geheel wat griezelig aan. Met name de sluis, een lange en smalle gang afgeschermd door hekken, waar de Palestijnse arbeiders doorheen moeten om naar hun werk in Israel te gaan en weer naar huis, doet bijzonder akelig aan. Ik wil graag een foto maken, maar dat is hier niet toegestaan.
Later op de dag zouden Guido en ik hier getuige zijn van een bizar dagelijks ritueel. Om een uur of vier arriveren de eerste bussen met Palestijnse arbeiders die terug willen naar hun huizen en gezinnen. Met honderden tegelijk stappen ze uit de bus. Ze zetten het op een gigantisch lopen. Mijn eerste indruk is dat er iets mis is, dat er iets vreselijks staat te gebeuren. Al snel begrijp ik echter de reden waarom de mensen zo hard aan het rennen zijn. Om als eerste in de rij te staan! Dat lijkt lachwekkend maar is als je erover nadenkt bijzonder tragisch.
Deze mensen moeten allemaal door de sluis, die zo'n honderdvijftig meter lang is, en worden allemaal gecontroleerd door de soldaten. Dat kan uren duren als je achteraan in de rij staat. Als je dat elke werkdag opnieuw moet doorgaan, kan ik me voorstellen dat je het op een lopen zet om als eerste er doorheen te kunnen. Om wat eerder thuis te kunnen zijn. Deze mensen staan midden in de nacht op, omdat ze 's morgens hetzelfde ritueel moeten beleven. Om er maar zeker van te zijn dat je op tijd op je werk bent. En dat elke keer weer. Het is erg jammer dat ik geen foto's kan maken omdat ik dringend de behoefte voel dit te laten zien. Het maakt me misselijk.
Onze delegatie hoeft niet door de sluis: mág niet eens door de sluis. Wij worden naar een grenskantoortje geleid. Daar laten we onze paspoorten zien. Er worden ons vragen gesteld en er wordt druk overlegd door de soldaten. We moeten erg lang wachten zonder dat we de reden daarvan kunnen doorgronden. Uren en veel heen en weer gepraat later wordt ons duidelijk gemaakt dat er een probleem is. Harry en Anja, als Kamerleden, mogen naar Gaza vanwege hun diplomatieke paspoort. Guido en ik echter niet, wij moeten terug naar Jeruzalem. De diplomatieke stempels die wij in ozne paspoorten hebben laten zetten bij het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken voldoen niet. "New procedures".
Het geheel komt wat schimmig over. Harry gaat meteen druk in de weer met bellen. De Nederlandse ambassade, consulaten, Buitenlandse Zaken: iedereen wordt ingeschakeld. De Nederlanders bevestigen keer op keer dat de stempels van Guido en mij in orde zijn en zeggen toe druk te zullen uitoefenen op het leger. De zaak wordt nu duidelijk op hoog niveau gespeeld. Naar onze stellige overtuiging hebben we keurig netjes voldaan aan alle vereisten. We hebben onszelf dagen van te voren aangemeld middels een fax van de ambassade. We hebben een diplomatiek stempel. Hetgeen zou moeten volstaan volgens de afspraken. Het leger oordeelt echter anders: "New procedures. Sorry, you can't get in".
Balen als een stekker. We bespreken de stand van zaken met z'n vieren. De delegatie heeft afspraken staan in Gaza en het zou zonde zijn om allemaal terug te gaan. We besluiten op te splitsen.
Harry en Anja naar Gaza. Guido en ik terug naar Jeruzalem. Jammer, maar helaas. Het uitzwaaien van Anja doet me pijn. Enig cynisch leedvermaak meen ik te bespeuren op de gezichten van de piepjonge soldaten, maar die indruk kan ook ontsproten zijn aan mijn behoorlijke frustratie met de hele toestand. Waarom laten ze ons er ook niet gewoon in? Waarom doen ze zo geheimzinnig en laten ze je alleen naar Gaza gaan als ze het echt niet kunnen weigeren? Wat zouden de redenen daarvoor zijn?
Dit overdenk ik op de terugweg naar Jeruzalem. Guido en ik wisselen geen woord. We zijn beiden duidelijk in mineurstemming. Tot opeens de telefoon gaat. Harry. "Onmiddelijk omkeren. Jullie kunnen er in. De ambassade heeft gebeld en jullie mogen erdoor". De stemming slaat meteen om. De somberheid maakt plaats voor een gevoel van spanning. Zou het dan toch nog lukken? Inmiddels zijn we wel weer bijna in Jeruzalem. Ik steek nog maar een sigaret op.
Honderden kilometers verder en vierhonderd shekhel lichter zij we weer terug bij af: de grenspost Erez. Waar Guido een uur geleden nog zei:"laten we snel maken dat we hier bij dat godverlaten oord wegkomen", zijn we er weer. Ook de soldaten zijn verbaasd. "You were here before". Een tiental soldaten verder, daar zijn er nogal veel van in deze contreien, staan we weer aan de balie. "Anything new?". Wij verbaasd. Ja, zeggen we, de Nederlandse ambassade heeft gebeld en volgens hen kunnen we naar binnen.
"Wait. I will come back with you in a moment". Een moment later luidt het:"we haven't received a fax with new information". We bellen meteen Harry om te vragen hoe het nu zit. "Het lukt niet. Wij zijn net weer gebeld en van het leger mocht het, maar het Israelische ministerie van Buitenlandse Zaken heeft overruled". Compleet overdonderd en moedeloos hang ik op na Harry nog succes gewenst te hebben. Dit staaltje hoge politiek gaat me boven de pet.
Guido en ik druipen af. Een lange, loodzware dag. Waarin we feitelijk niets hebben kunnen doen. Maar wel wat hebben geleerd. Nu begrijp ik eindelijk een beetje wat Palestijnen bedoelen als ze zeggen: "They can give us back land, freedom and autonomy. But they can never give us back all the lost time".
Dat ik Gaza niet in ben gekomen vind ik op zichzelf niet erg. Hetgeen het impliceert wel: dat de Palestijnen onder zulke omstandigheden moeten leven, dat vind ik erg. Ik ben volgende week weer in het vrije Nederland. Zij niet. Dat steekt.
Omdat Guido en ik Gaza niet konden binnenkomen, zoals ik hierboven al schreef, moesten we wat anders verzinnen om onszelf nuttig te maken. Na het nuttigen van een bescheiden maar prima ontbijt, besluiten we met Abu Hassan een alternatieve tour te maken. Dat zijn tours voor toeristen die rondgeleid willen worden met het oog op de Palestijns-Israelische kwestie.
We zijn nauwelijks het hotel uit waar we verblijven - het progressieve Jerusalem Hotel waar mensen van allerlei pluimage elkaar ontmoeten - of de eerste plek waar Hassan bij stil wil staan dient zich al aan. Het is het ‘Ministry of Interiors’, van Israelische zijde wel te verstaan. Het kantoor staat in Oost-Jeruzalem, Palestijns gebied dus. Het is een kantoor wat gaat over het verstrekken van identiteitsbewijzen en allerlei vergunningen, maar de Palestijnen moeten er ook naar toe om bijvoorbeeld hun kinderen bij te laten schrijven in hun pas. Een soort Burgerlijke Stand. Het kantoor is echter maar een paar uur per dag geopend, waarbij het afhangt van de gewilligheid van de werknemers hoe lang precies. Het bedient wel een gebied waar 250.000 Palestijnen wonen.
Het gevolg laat zich raden: ellenlange rijen mensen. Mensen blijven hier ’s nachts slapen om er maar zeker van te zijn dat ze de volgende dag aan de beurt komen. Taferelen die je bij ons ook wel ziet als het om concerten gaat. Dat ambtenaren het soms rustig aan doen wisten we, maar dit is toch wel erg nonchalant.
We stappen in de auto van Abu. Hij rijdt ons naar de Israelische ‘settlements’ die overal in Oost-Jeruzalem opduiken (Palestijns gebied dus). Luxe alom. Prachtige huizen met zwembaden achter in de tuin. Wat opvalt is de properheid en ook de zonnepanelen die je overal op de daken ziet. Beetje saai aandoend, maar zeker niet verkeerd. Van alle kanten zie je hoe de settlements de Palestijnse wijken insluiten. Abu laat ons een Palestijns vluchtelingenkamp zien in Jeruzalem. Wat een zooitje. Huizen van grauw cement in plaats van helderwit steen. Half afgebouwde huizen. Hoog op elkaar gestapelde huizen die erg dicht tegen elkaar aan gebouwd staan. Overal, maar dan ook overal afval. Ja, de Palestijnen hebben dan ook geen keurige vuilnisdienst.
Abu vertelt hoe het water hier een belangrijke rol speelt. Hij wordt boos als hij vertelt hoe de kolonisten volgens hem al het water inpikken en de Palestijnse vluchtelingen water moeten gaan kopen om te koken en te wassen, terwijl ze daar nauwelijks geld voor hebben. En dat terwijl het Palestijns grondgebied betreft. Je merkt inderdaad weinig van settlements die Sharon verplaatst, zoals telkens toegezegd. De Palestijnen krijgen zelden een vergunning om te bouwen in Palestijns gebied, als ze het wel krijgen moeten ze er 100.000 NIS voor neertellen (zo’n 20.000 euro). Dus bouwen de meeste Palestijnen illegaal en lopen ze continu het gevaar een ‘demolition order’ te ontvangen. Is dat wat men met Palestijns zelfbestuur bedoelt? Blijkbaar.

De beruchte muur die Palestijnse nederzettingen scheidt
Later gaan we een checkpoint checken. We sluiten ons aan in de rij. Na een kwartiertje zijn we erdoor. Niet veel aan de hand. Abu legt wel de zinloosheid van deze checkpoints uit. Alsof een Palestijn met een zelfmoordbom deze weg zou nemen. Er zijn genoeg sluipwegen voorhanden. Maar ook daar probeert de regering Sharon wat aan te doen. Met het bouwen van de beruchte Muur. Daar gaan we dan ook naar kijken. Sommige stukken van de Muur blijken niet de Israeliers van de Palestijnse gebieden te scheiden, maar snijden dwars door Palestijnse gebieden heen. Die kinderen belemmeren naar hun school te gaan en zieken naar hun ziekenhuis. Maar de Muur blijkt niet overal even standvastig. We zien mensen in de stromende regen naarstig klimmen, met succes. Ook ik waag een poging. Makkie. Op en neer. Zonder problemen. De Muur lijkt hier weinig nut te hebben. Pesten noemt onze begeleider het.
Even later zijn we getuige van een andere categorie pesten. Bij de aanbouw van een stuk Muur in de Palestijnse wijk Abu Dis rijden Israelische jeeps rond. ‘Police’ staat erop, soldaten zitten erin. Vier moslimvrouwen lopen voorbij. De soldaten imiteren vanuit een jeep eerst schietgeluiden door hun megafoon. Pief, paf, poef. Dan, even later, maken ze orgastische geluiden vanuit hun jeep. Aaah, oooh. Je kent het wel. De vrouwen moeten er om lachen, lijdzaam als ze blijkbaar zijn. De verontwaardiging treft mij, zij zijn er schijnbaar aan gewend.
Maar goed, wat anders kun je verwachten als je jongens van amper twintig met een geweer en een jeep voorziet van een dergelijke machtspositie. Kinderachtig, totaal niet passend bij een verantwoordelijke functie als soldaat eigenlijk. Commandanten die hen op hun gedrag wijzen zijn er niet. Misschien zijn de gedragscodes evenzeer absent. Een ‘license to harass’. In de steeds harder op ons neerdalende regen keren we terug. Echt vrolijk kan ik er niet van worden. En dat heeft niets met de regen te maken.
We keren terug naar het Jeruzalem hotel. Even later arriveren ook Anja en Harry daar. De delegatie is herenigd. Na het uitwisselen van elkaars ervaringen en het doormailen van de laatste foto’s maken we ons klaar voor een bijzonder bezoek.
De chauffeur rijdt ons naar Ramallah, een levendige stad vlakbij Jeruzalem. Opeens zien we muren met prikkeldraad tussen de armetierige huisjes. ‘Wat is dit voor gebouw joh?’ ‘Zouden we er al zijn?’ Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Na het passeren van enkele gewapende mannen, wat eenvoudig gaat gezien de ervaringen van de laatste dagen, betreden we een compoundachtig terrein. Verderop meer gewapende mannen. We worden naar binnen geleid. De zandzakken steken uit de raamschouwen (of hoe noem je die dingen?), tenminste daar waar de muren nog overeind staan.
We komen in een klein kamertje waar we moeten wachten. Vijf minuten, dan worden we gehaald. Dan zien we hem staan. Yasser Arafat. Wat is ie klein zeg. Maar groot qua persoonlijkheid. Eenieder is zichtbaar onder de indruk, hoeveel kritiek je ook op de man mag hebben. Juist zijn kwetsbaarheid en interesse in ons, terwijl we hem toch weinig te bieden hebben, maken hem een bijzonder persoon. Stilte. Niemand weet wat te zeggen, hoe te beginnen. Dus opent een ander het gesprek, een medewerker van Arafat. Die vraagt wat we zoal gedaan hebben tijdens onze rondreis. Het ijs is gebroken. Hij vertelt en wij vertellen (nou ja wij, Harry eigenlijk vooral, ik ben ook veel te zeer onder de indruk om wat zinnigs uit mijn normaal zo grote mond te krijgen).

De delegatie op bezoek bij Yassir Arafat
Hij luistert en wij luisteren. Hij vertelt over de oudste kerk ter wereld die de christenen duizenden jaren geleden hebben ingericht en die door de Israelisers is vernietigd. Over het feit dat hij met driekoningen niet naar Bethlehem mag om te bidden, dat wordt niet toegestaan. In de Palestijnse gebieden wordt het reizen de Palestijnse president onmogelijk gemaakt. Door wie? Het machtige Israelische leger natuurlijk. Hij vertelt over de vernielingen die in Bethlehem zijn aangericht aan Mariabeelden, een relaas wat met foto’s kracht bijgezet wordt.
Yasser Arafat, met al zijn tekortkomingen, getuigt van leiderschap. De Palestijnen zijn het ook lang niet altijd eens met hem, wat later ook blijkt als we getuige doen van ons bezoek aan een aantal Palestijnen in het hotel, maar bewonderen hem toch allemaal. Juist om zijn standvastigheid en bescheidenheid. In tegenstelling tot de meeste van zijn stafleden heeft hij geen luxe eigen huis. Hij is ook kwetsbaar. Zichtbaar vermoeid, hij trilt met al zijn ledematen en slaat vaak zijn oogleden bedroefd neer. Hoeveel hoop zou hij zelf nog hebben? Wat gebeurt er als Arafat er niet meer is?
Veertig minuten later staan we weer buiten de vesting waar de verkozen leider van de Palestijnen noodgedwongen opgesloten zit. Ik ben ook wel een beetje opgelucht dat we weer buiten staan. Het is toch een beetje ongemakkelijk om iemand te ontmoeten die je voornamelijk van CNN en BBC World kent. De sigaret die ik opsteek (foei!) smaakt me bijzonder goed.
Terug in het hotel komt de kat die er vaak rondscharrelt op schoot liggen. Dankbaar grijp ik de gelegenheid aan om een beetje te knuffelen. Ik mis m’n meisje. Nu, bijna 1 uur, vind ik het mooi geweest met het schrijven van dit verslagje. Morgen gaan we weer op stap, de wekker rinkelt alweer over vijf en een half uur.
Om zeven uur gaat de wekker. Harry, Guido en ik slapen met z’n allen op één kamer. Guido vermant zich als eerste en gebruikt de douche. Als hij klaar is staat Harry op. Als die eenmaal klaar is, is het tien voor acht, terwijl we om acht uur afgesproken hadden om te vertrekken. Ik haast me zoveel als ik kan op dit uur van de dag en met de weinige uren slaap achter de rug. Ik storm de ontbijtzaal binnen, grijp een broodje en een kiwi en roep schuldig: ”Ik kan in één ruk door”. Om maar zo weinig mogelijk tijd te verspillen. Rustig zegt Anja "kom maar lekker zitten, onze gids is er nog niet". Jammer dat ik niet wat langer ben blijven liggen, fijn dat ik rustig kan ontbijten.
Als na het ontbijt de gids er wel al is maar nog druk in de weer is met telefoons om van alles te regelen, staan Harry en ik buiten een luchtje te scheppen. “Leuke reacties op je site Driek”, waarmee hij de ROOD-site bedoelt. Het is eerder de site van Kevin, onze webmaster. Ik ga meteen even achter de computer om de reacties te lezen. Goede reacties inderdaad. Leuke interactie op deze manier vanuit een ver buitenland.
We rijden richting Qalqilia, een Palestijns stadje. Dit is een van de plaatsen die het zwaarst getroffen worden door de Muur. De burgemeester, waar we even later zitten, vertelt over de goede betrekkingen tussen de Israeliers en de Palestijnen (het ligt op het grensgebied en was voorheen een belangrijk winkelcentrum en had een levendig, gemengd uitgaansleven) waar zijn plaats altijd trots op was. Van dat recente verleden is weinig te merken. Vervallen ligt het stadje erbij (vind ik althans, volgens Anja valt het wel mee, maar goed, die is dan ook in Gaza geweest...): veel winkels zijn gesloten vanwege de verdwenen klandizie. De burgemeester vertelt dat over de vele inwoners die ze het laatste jaar zijn kwijtgeraakt (ongeveer tien procent van de bevolking), de mensen die het zich konden veroorloven zijn weggetrokken.
Eenmaal op pad met enkele gemeenteambtenaren doemt al snel de boosdoener op: de Muur. Hier is ie weer anders dan in Jeruzalem. Meters hoog, ik schat ongeveer acht meter, steekt 'ie de lucht in. Metersdik beton, geregeld onderbroken door een akelig aandoende wachttoren. Ik herinner met dat ik als kind met mijn vader naar het Ijzeren Gordijn ging kijken. Nog steeds herinner ik me hoe niet het hek dat daar stond en de prikkeldraad dat er lag me fascineerde, maar de wachttoren met een soldaat inclusief machinegeweer. Dat had ik immers nog nooit gezien, hekken en prikkeldraad wel. Die wachttoren maakte het ook nu weer griezelig, al stond er geen soldaat - althans niet zichtbaar. Misschien waren ze er wel, maar je kunt het niet zien door de constructie van de toren en de kijkgaten. Dat maakt het nog enger. Timide en op mijn hoede maak ik foto’s, het zit me toch niet lekker. Zoveel vertrouwen in soldaten heb ik hier niet opgedaan.

Prikkeldraad, hekwerk, wachttorens: de muur
Dit stukje ‘security’ (een machtig woord in deze contreien) heeft akelige gevolgen. Qalqilia is geheel omsingeld en afgesloten. Er zijn twee ‘agricultural gates’: doorgangen voor de bewoners. Niets aan de hand zou je zeggen. Kinderen kunnen naar school en boeren naar hun land. Er zijn echter wel twee maren. Als je er mensen doorheen laat, waarom heb je het ding dan gebouwd? Minstens zo belangrijk is de volgende maar. De doorgangen, één aan de noordkant en de andere aan de zuidkant, gaan drie keer per dag open. Vijftien minuten. Niet gegarandeerd overigens. De vroegste openingstijd is vier uur ’s nachts (!).
Als kinderen naar hun school willen gaan, waar ze dus gelukkig wel kunnen komen, die om acht uur begint moeten ze zorgen dat ze om vier uur bij de doorgang staan. ’s Nachts dus. De volgende openingstijd is namelijk, meestal, om drie uur ’s middags. Daar maken de kinderen ook gebruik van, als ze terug naar huis gaan. De school duurt tot 1 uur, staan ze dus weer te wachten. En dat is nog het gunstigste geval. Soms gaat de Muur helemaal niet open en staan mensen tevergeefs buiten. Boeren en kinderen krijgen dan eten over de Muur geslingerd vanaf de andere kant. Ik kan het niet geloven.
Uren later arriveren we in Sakhnin. Een Palestijnse gemeenschap in Israël zelf. Een vaak vergeten groep. Niemand heeft het over hun moeilijkheden, ook de Palestijnse Nationale Autoriteit te weinig (een klacht die we vaker optekenen hier). De burgemeester, die we ook in deze plaats aandoen, heeft een portret van Sharon en een Israëlische vlag op zijn kamer. Terwijl het een, volgens hemzelf althans, socialistische burgemeester betreft. Dat moet toch pijn doen als je de klachten hoort over achterstallige budgetten, pesterijen en landjepik. Wat me het meest is bijgebleven van dit bezoek echter is van een heel andere orde. Sakhnin heeft een hele goede voetbalclub, ze zijn recent geprovomeerd naar de Israelische eredivisie. Apetrots zijn ze daarop, dat is wel duidelijk. Ze krijgen geen toestemming om een fatsoenlijk stadion te bouwen, maar goed, daar zeuren we maar niet over. Er zijn wel ergere problemen hier.
Maar onder het gesprek schuift de woordvoerder van de gemeente me een brief toe uit Nederland. Hij wijst op het adres en vraagt fluisterend aan me, wellicht verveelde hij zich een beetje, ‘do you live here, in Rotterdam?’. ‘No, but I work in Rotterdam’, zeg ik. Dan zie ik de afzender van de brief. Hans Ysbrandij, een zeer goede bekende van me. Heeft bij me op school gezeten, politieke wetenschappen te Leiden en is ook SP-lid. Hans en ik hebben het echter zelden over politiek, het gaat altijd over voetbal. Hans is fervent Cambuur-aanhanger (ja, hoe verzin je het inderdaad) en ik ben een frequent bezoeker van de beste voetbalclub van Nederland (ik mag het er eigenlijk niet meer over hebben van de achterban, maar ik kom uit het zuiden des lands...).
De brief van Hans gaat ook over voetbal. Hij schrijft iets in de geest van ‘I am a huge supporter of Bnei Sakhnin Club (typisch Hans, hoe komt ie erbij vraag ik me af) and would like to know how I can become a member of the supportersclub. Also I would like some information about how to receive merchandise’. Ik wrijf m’n ogen nog een keer uit, het is echt waar. Wat een toeval, wat is de wereld soms toch aangenaam klein.
Als ik de woordvoerder fluisterend informeer, vertellen we het verhaal tactisch aan iedereen na het officiële gedeelte. Hilariteit alom. De burgemeester zegt toe contact op te nemen met Hans, ik geef hen zijn telefoonnummer (dat had Hans niet vermeld, wellicht in de veronderstelling dat ze hier geen telefoon hebben), en stelt voor dat we maar een plaatselijke supportersvereniging van Bnei Sakhnin in Nederland moeten beginnen. Zo wordt het gesprek aangenaam afgesloten.
Buiten besluit ik te gaan lopen - heb al genoeg in auto’s gezeten en het huis van Ali en Trees waar we wat gaan eten is vlakbij. Ik zie een voetbaltoto-tentje en loop stoutmoedig naar binnen. ‘Kan ik hier ergens merchandise van Bnei Sakhnin krijgen’. Na enig heen en weer gepraat komen ze er achter dat we Ali kennen, die lokaal goed blijkt te liggen. Ik krijg een lift naar de supporterswinkel van twee goed Engels sprekende jongeren (dat doen de Palestijnen sowieso erg goed valt op). Daar koop ik een vlaggetje, een vaantje en een sjaaltje (je kent het wel) om een goede vriend blij mee te maken. Wat zal ie raar opkijken als ik zeg: 'zo, Cambuur Leeuwarden was blijkbaar niet voldoende voor je' en hem de presentjes overhandig met de groeten van de burgemeester. Hopen maar dat Hans dit niet leest, want dan is m’n grap naar de Filistijnen.
Nu zitten we heerlijk thuis bij Ali en Trees, net een aangename maaltijd genuttigd. Die is zeer welkom want behalve het slapen is ook het eten tijdens onze reis iets wat onregelmatig tot ons komt. Straks nog even een radio-interview geven, BNN United (radio 1), kwart over negen Nederlandse tijd, en dan heerlijk naar bedje toe. Morgen ga ik weer jongeren ontmoeten. Maar eerst dit verslag en de foto’s nog even de Middellandse Zee oversturen.
PS: net het interview achter de rug, ik was behoorlijk zenuwachtig. Volgens de mensen hier die in een andere kamer geluisterd hebben was ik behoorlijk op stoom. Toch wel moeilijk, over zo’n gecompliceerd onderwerp.Lief dagboek, ik zit er behoorlijk doorheen. Niet alleen lichamelijk, maar vooral geestelijk. Ik probeer een uitdrukking te vinden voor het tegenovergestelde van een snoepreisje, maar kan er geen bedenken. Vandaag zijn we weer getuige geweest van een boel menselijke ellende. Eerder op de dag had ik het idee dat ik verzadigd was. Dat er niets meer bij kan. Dat het me niet meer kon raken. Later, tijdens de terugreis naar Jeruzalem, komt de klap en de ontlading. Morgen gaan we weer terug. Daar ben ik erg blij om. Weg hier. Uit dit verschrikkelijke tranendal. Hoewel ik ook het gevoel heb dat ik de mensen hier in de steek laat. Dat ik er voor wegvlucht. Voor weg kan vluchten.
‘s Morgens brengt Ali ons naar Israelische settlements rond het Arabische dorp Sakhnin. In het luxueze winkelcentrum gaan we op zoek naar nieuwe batterijen voor Anja’s camera. We spreken met wat orthodoxe religieuzen. Om te proberen te doorgronden wat er door hen heengaat. Veel laten ze echter niet los, behalve dan wat preken over de Thora en over God.

Een schril contrast: bedoeïendorp en luxe flats
Wat een contrast met het aangrenzende bedoeïnendorp. In keten leven deze mensen, die ons meteen hartelijk ontvangen met een ronde thee en een ronde koffie. En een zuurtje. We delen in de armoede. Geen waterleiding, geen elektriciteit, containers met uitgezaagde ramen en deuren. Wel belasting betalen. De kinderen zijn verlegen. De wat oudere kiddo’s rijden met kruiwagens hooi op en neer naar de twee aanwezige koeien. Samen met wat schapen en een moestuin is dit hun levensvoorziening. ‘Willen jullie hier niet weg dan, naar gebied waar meer ruimte is om de traditionele bedoeïnenlandbouw te bedrijven?’ ‘Nooit, dit land is van mijn familie. Onze voorouders hebben hier geleefd. Wij leven hier, wij sterven hier’. Een vreemd gezicht, dit zigeunerachtig aandoenend kampje pal naast de luxe huizen en voorzieningen die ‘uiteraard’ niet voor hen bestemd zijn.
De volgende bestemming is een ‘unrecognized village’ van Arabieren in Israel, Arabe Nei’im. De armoede is hier, zo mogelijk, nog schrijnender. Wat ik al zei, ook ik had het er even mee gehad. Kinderen op blote voeten in de modderige ondergrond. Het is hier drassig en koud, het regent de laatste dagen. Ook hier krotten van golfplaten. Terwijl we aankomen klinkt gebed. Uit een groen geverfde container die als moskee dienst doet. De schoenen staan keurig buiten op een rijtje. Omdat de mannen aan het bidden zijn lopen we naar de kinderen toe, daar zijn er veel van.
Ze hebben laatst een provosorisch speeltuintje cadeau gekregen van Sakhnin, het Arabische stadje in de buurt. Ik loop naar de kids toe en begin een beetje met ze te dollen. Al snel moet ik het draaitoestel (of hoe heet zo’n ding waar je telkens een ruk aan moet geven en wat vervolgens gaat draaien?) sneller en sneller katen gaan en meer en meer kinderen voegen zich bij de vreemde bezoekers en proberen een plaatsje te veroveren in het gewilde vertier. Denk maar niet dat je vervolgens gemakkelijk afscheid kan nemen. Ze trekken aan je en gebaren ‘meer, nog een keer’. Als de rest al lang weg is besluit ik er een eind aan te maken door simpelweg weg te rennen.
De rest is al zowat bij de dokter, Bashir Abed. Ook die werkt vanuit een containerkeet. Met een gammel medicijnenkistje. Bewonderenswaardig. Hij vertelt over de erbarmelijke gezondheidstoestand en de inteelt die hier een groot probleem is. We vertrekken over een binnendoorweggetje wat Ali nog wel wist: uitstappen en een uitlaat die telkens tegen de grond knalt. Gelukkig houdt ie het.
Dan een wat minder somber gesprek. Dina, de dochter van Ali en Trees, heeft wat vriendinnen van haar opgetrommeld om met ons te praten, speciaal op mijn verzoek. In het begin is het wat ongemakkelijk. Ik voel me ook niet opperbest omdat ik zojuist met m’n baggerpoten de vloer vuil heb gemaakt. Het wordt opgelost met een dweil en verdergaan op sokken. Als de plaatselijke voetbalclub door mij ter sprake wordt gebracht, we zijn immers weer in Sakhnin, gaat het al snel beter. Ze vertellen over hun meisjeselftal en lachen als de keeper ter sprake wordt gebracht. Die zegt vervolgens stoer ‘yeah, I don't play like a girl’.
Over de politieke situatie zijn ze niet optimistisch. Als Palestijnen die in Israel leven verwachten ze dat het alleen maar erger zal worden de komende jaren. Ze vertellen vol bravoure over de demonstratie waar ze laatst aan mee hebben gedaan en waar de plaatselijke gemeenschap vernielingen heeft aangebracht aan de aangrenzende Israelische legerbasis. Daar is een vrouw overleden. Bij de demonstraties die volgden kwamen veel minder mensen. Bang. Ze hebben een hekel aan de zelfmoordaanslagen. ‘You can not kill innocent people, that is wrong’.
Maar veel vertrouwen in onderhandelingen hebben ze ook niet. ‘They have been talking for ages, and what has it brought us?’. Ze worstelen zichtbaar met dit dilemma. Weten niet hoe het verder moet, hoe er tot een oplossing gekomen kan worden. Ik ook niet. De onmacht straalt van de gezichten af.
Gedecideerd stellen ze dat ze hun school moeten afmaken, dat ze verder moeten gaan studeren in Haifa. Giechelen als we vragen hoe het zit met vriendjes. Zoenen doen ze stiekem, want dat mag eigenlijk niet binnen de gemeenschap. ‘I think that is disgusting, we have to do it secretly’, zegt er eentje. ‘Are you a moslim?’, vragen we omdat dat in ieder geval niet zichtbaar is. ‘Absolutely!’. Met deze stoere, zelfbewuste meiden is er toch nog hoop, denk ik. Die komen er wel. Als ik ze de vlag van ROOD geef als blijk van waardering, overleggen ze meteen driftig of en wanneer ze die op hun school kunnen neerhangen. Leuk.

Palestijnse jongeren nemen ROOD-vlag in ontvangst
Nu, ‘s avonds wanneer we moe aangekomen zijn in Jeruzalem, werk ik aan dit verslag. Guido komt binnen en zegt ‘brei er nu een eind aan joh, je bent harstikke kapot’. Binnen in het restaurant, dertig meter verderop, schalt de feestmuziek. Elke vrijdagavond is het hier feest. Ik ga lekker wat eten. Maar dit dagboek kan ik niet zomaar afraffelen. Ook al is de rest al lekker bezig met het toosten op een geslaagde reis: leerzaam en aangrijpend.
Ik moet alles eerst maar eens laten bezinken. Misschien dat ik dan nog een nabeschouwing kan schrijven. Morgen komt m’n vriendinnetje me ophalen van Schiphol. Daar kan ik dan weer bijzonder vrolijk van worden. Salaam aleikum. Shalom.
Driek van Vugt
Op oude berichten kan je niet meer reageren