Studentenkrant A3
Jaargang 5 nr. 3, augustus 2004
Veel geld verdienen! Kennis vergaren om je optimaal in te kunnen zetten voor een betere wereld! Macht verwerven! De grenzen van de wetenschap opschuiven! A3 over de drijfveren van de studenten van nu.
| En
wie wil jíj zijn, later als je groot bent? Reageer online! |
|---|
Je studietijd is een mooie periode. Je mag opeens heel veel, maar er wordt ook van allerlei kanten aan je getrokken. De maatschappij bijvoorbeeld vraagt mensen die efficiënt maar minder veelzijdig hebben gestudeerd, en universitair docenten willen studenten die streven naar verdieping. Bij dat alles is de vraag waarom studenten studeren een intrigerende. Is een academische titel voor jou de basis van je eigen succes? Of wil je je verworven kennis en wijsheid inzetten voor het gemeenschappelijk belang? En kun je het wel zo zwart-wit zien?
Vier jaar geleden trokken ruim vijftig hoogleraren luidruchtig aan de bel met een alarmerend manifest getiteld Naar een universitair reveil. ‘Het academisch gehalte van het onderwijs kalft af door verschoolsing en massificatie,’ concludeerden ze. ‘Resultaat: eenzijdigheid en toenemende saaiheid van studieprogramma’s en het afleveren van een steeds meer gestandaardiseerd product: de volgens de laatste mode op maat gesneden en geknipte afgestudeerde.’ Hun wens om de wetenschappelijke nieuwsgierigheid weer centraal te stellen op de universiteiten botst nadrukkelijk met de visie van minister Brinkhorst van Economische Zaken. Die betoogde vorig jaar bij de aanvang van het academisch jaar in Maastricht dat studenten vooral opgeleid moeten worden tot ondernemer. Overtrokken gezien staan dus aan de ene kant de hoogleraren die opkomen voor het wetenschappelijk denken en die willen dat universiteiten ‘intense nieuwsgierigheid’ bij studenten losmaken. En aan de andere kant de calculerende prestatiemaatschappij die student en universiteit onder druk zet om een hoog economisch rendement te realiseren op de investeringen in onderwijs.
Nu de studenten. Hoe staan zij in deze schematische tegenstelling? Wat beweegt jongeren die net van school zijn zélf om te gaan studeren? We vragen het aan Groningse studenten. Lyske van der Werf, eerstejaars internationale betrekkingen, over de vraag waarom ze studeert. ‘Ik wil weten waarom de wereld is zoals die is. Hoe kan het, dat de wereld zo’n rijkdom heeft aan van alles, en het zo scheef verdeeld is? Ik wil weten hoe het kan dat regeringen alsmaar oorlogen voeren die burgers niet willen. Ik wil weten wíe hier verantwoordelijk voor zijn en waarom. En ik hoop dat ik later zelf één van die mensen kan worden die een beetje de dienst uitmaken in de wereld. Zoals een bekend persoon ooit zei: kennis is macht.’ Geen aanstaand wetenschapper dus, wel iemand die haar verworven kennis en wijsheid wil gebruiken voor het maatschappelijk belang.
Dit jaar zullen naar verwachting ruim 34.000 nieuwe studenten in de collegebanken plaatsnemen, maar maar een klein deel daarvan zal uiteindelijk als wetenschapperaan de slag gaan. Moeten we dan allemaal wetenschappers worden? Pursey Heugens, hoogleraar organisatiekunde in Utrecht vindt het: ‘een geëigende reden om gewoon een goede boterham te verdienen en goed voor je familie te kunnen zorgen.’ In Rotterdam-Zuid, waar hij vandaan komt, is de arbeidsparticipatie laag. Hij was de eerste van zijn familie die ging studeren. ‘Door te studeren krijgen mensen kansen in de maatschappij die ze anders niet hebben. Daarnaast gaat het sommige studenten, dat is zo’n tien tot vijftien procent, ook om het plezier dat ze beleven in het streven naar eigen ontwikkeling en het dieper nadenken. Voor hen is ook academische vorming een belangrijk motief. Voor een docent zijn dat de krenten in de pap.’ En al die mensen die geen wetenschapper worden, zijn dat de ondernemers waar Brinkhorst het over heeft? En hebben die ondernemers in spé ook last van een gebrek aan academische vorming of van de rendementseisen?
Professor M. E. Halbertsma is opleidingsdirecteur cultuurwetenschap van de Erasmus Universiteit. Zij stelt dat academisch opgeleide mensen gemakkelijk om te scholen zijn. ‘De afgestudeerden van onze opleiding komen overal terecht. De helft komt in de kunst en cultuursector, maar de andere helft in heel andere sectoren.’ Toch merkt ook Halbertsma dat haar studenten met hun brede interesse vaak niet aan de rendementseisen van de maatschappij voldoen. ‘Je ziet niet alleen dat studenten pas heel laat beslissen wat ze willen studeren, ze zijn ook tijdens hun studie het liefst zo breed mogelijk bezig. Ze doen liever lang over twee studies dan kort over één. In het bedrijfsleven wordt echter gekeken naar de snelheid waarmee studenten hun studie afgerond hebben. Dat ze zich verdiept hebben of verbreed en daardoor langer bezig zijn geweest, is niet interessant.’
Er ligt een druk op studenten om te presteren. Niet alleen van bedrijven,
maar zeker ook van de overheid. Hoe sneller studenten afstuderen, hoe
meer geld de universiteit krijgt. En ook de prestatiebeurs en het bindend
studieadvies zijn daar natuurlijk voor bedacht. Het rendement moet
hoog liggen, anders kost het te veel. En dat heeft uiteraard grote gevolgen
voor het hoger onderwijs. Ronald van Raak, docent geschiedenis aan
de Universiteit van Amsterdam, signaleert dat het maatschappelijk nut
een steeds grotere rol gaat spelen. ‘De bama-structuur holt het
wetenschappelijke gehalte van het universitair onderwijs uit; veel studenten
volstaan met een meer beroepsgerichte bacheloropleiding.’
‘Studenten gaan de universiteit steeds meer als school zien,’
vindt Halbertsma. ‘In het eerste jaar valt de druk echter tegen.
Daarom zijn er vakken met aanwezigheidsplicht en zullen we met een bindend
studieadvies gaan werken. In het eerste jaar kan er niet gesproken
worden van wetenschap, dat komt later pas in de studie.’
| Waarvoor hebben we universiteiten? |
|---|
Al vanaf 1575, toen de eerste gesticht
werd in Leiden, hebben universiteiten drie taken: algemene ontwikkeling,
wetenschappelijke vooruitgang en maatschappelijk nut. Ze moeten
jongeren opleiden tot kritische en zelfstandig denkende burgers,
die – In vergelijking met andere westerse landen
heeft Nederland weinig onderzoekers, een geringe wetenschappelijke
productie en een achterblijvende toepassing van kennis, aldus de
‘Kenniseconomie Monitor 2003’. De oorzaken liggen voor
de hand: in vergelijking met andere landen investeert de Nederlandse
overheid erg weinig in kennis, en ook het bedrijfsleven is weinig
innovatief. Binnenkort wordt het nieuwe academische jaar geopend,
waarbij politici traditioneel hun visie geven op het hoger onderwijs.
|